Interchange fees explained: waarom verschillen de kosten per kaartbetaling?
Interchange is het deel van de kosten van een kaartbetaling dat van de acquirer naar de bank van de kaarthouder gaat. Het tarief wordt onder andere bepaald door het type kaart, het land waarin de kaart is uitgegeven en de kenmerken van de transactie.
Wanneer een klant met Visa of Mastercard betaalt, bestaat de verwerking van die betaling uit meerdere partijen en meerdere kostencomponenten.
Bij een Interchange++ (IC++) prijsmodel worden deze componenten afzonderlijk zichtbaar:
Interchange + Scheme Fees + Acquiring/Processing = totale kosten
In dit artikel kijken we specifiek naar de eerste component: Interchange.
Wat is interchange?
Bij een kaartbetaling zijn vereenvoudigd vier partijen betrokken:
Kaarthouder → Issuer → Card Scheme → Acquirer → Merchant
De issuer is de bank of financiële instelling die de kaart aan de klant heeft uitgegeven.
De acquirer verwerkt de kaartbetaling voor de merchant.
Bij een reguliere kaartbetaling betaalt de acquirer een interchange fee aan de issuer. We omschrijven interchange daarom als een vergoeding die de issuing bank krijgt wanneer de betaling richting de acquiring bank wordt verwerkt. Visa, Mastercard of PAY zelf ontvangt geen interchange fee niet.
Schematisch:
Merchant → Acquirer → Interchange → Issuer
De interchange is daarmee iets anders dan een scheme fee. Scheme fees zijn kosten van bijvoorbeeld Visa of Mastercard voor het gebruik van hun netwerk en diensten.
Wie bepaalt de interchange?
Visa en Mastercard publiceren interchangeprogramma's en bijbehorende voorwaarden. Binnen Europa is een belangrijk deel van de interchange daarnaast wettelijk gereguleerd.
De Europese Interchange Fee Regulation (IFR) stelt maxima aan interchange voor veel consumer card-transacties binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Visa en Mastercard verwijzen voor hun Europese interchangeprogramma's eveneens naar deze regelgeving.
Voor veel reguliere consumer cards binnen de EER gelden daardoor bekende maximumpercentages:
| Kaart | Maximale interchange |
|---|---|
| Consumer Debit | 0,20% |
| Consumer Credit | 0,30% |
Een betaling van €100 met een gereguleerde EER consumer debit card heeft daarmee bijvoorbeeld maximaal €0,20 interchange.
Bij een gereguleerde consumer credit card is dat maximaal €0,30.
Maar deze percentages gelden niet voor iedere kaartbetaling.
Waarom verschilt interchange?
Het daadwerkelijke interchangeprogramma wordt bepaald door verschillende kenmerken van de kaart en de transactie.
Denk onder andere aan:
Consumer of Commercial
Debit of Credit
Land/regio van de issuer
Land/regio van de merchant
Card Present of Card Not Present
Type transactie en toepasselijk interchangeprogramma
Daardoor kunnen twee betalingen van exact €100 verschillende interchangekosten hebben.
1. Consumer versus Commercial
Een van de belangrijkste verschillen is of de kaart aan een consument of aan een bedrijf is uitgegeven.
Consumer card
Dit is bijvoorbeeld de persoonlijke debit- of creditcard van een consument.
Veel consumer debit- en creditcardtransacties binnen de EER vallen onder de Europese interchange-regulering.
Commercial card
Een Commercial Card kan bijvoorbeeld een:
- Business Card
- Corporate Card
- Purchasing Card
- Fleet Card
Commercial cards vallen niet automatisch onder dezelfde caps die voor gereguleerde consumer cards gelden. Hierdoor kan de interchange aanzienlijk hoger zijn.
Voor een merchant is daarom niet alleen relevant dat een klant met "Mastercard" of "Visa" betaalt.
Het onderliggende kaartproduct is mede bepalend voor de kosten, kosten van bepaalde corporate kaarten kunnen oplopen tot 2,00%
2. Debit versus Credit
Ook het type kaart speelt een rol.
Binnen de gereguleerde EER-consumer categorie is het onderscheid eenvoudig zichtbaar:
Consumer Debit → maximaal 0,20%
Consumer Credit → maximaal 0,30%
Op €100 is het verschil klein:
Debit: €0,20
Credit: €0,30
Maar bij €10 miljoen kaartomzet betekent een verschil van 0,10 procentpunt al:
€10.000 verschil in interchange.
Bij commercial of interregionale kaarten kunnen de verschillen groter zijn.
3. Waar is de kaart uitgegeven?
Een zeer belangrijke factor is de locatie van de issuer.
Een Nederlandse webshop kan bijvoorbeeld betalingen ontvangen met kaarten uitgegeven in:
🇳🇱 Nederland
🇩🇪 Duitsland
🇫🇷 Frankrijk
🇬🇧 Verenigd Koninkrijk
🇺🇸 Verenigde Staten
🇨🇭 Zwitserland
Dat betekent niet automatisch dat voor al deze transacties dezelfde interchange geldt.
Voor interchange is de verhouding tussen de locatie van de merchant/acquirer en de issuer belangrijk.
Een vereenvoudigd onderscheid is bijvoorbeeld:
Intra-EEA
Merchant en issuer bevinden zich binnen de EER.
Interregional
De merchant bevindt zich bijvoorbeeld in de EER, terwijl de kaart buiten de EER is uitgegeven.
Mastercard en Visa publiceren daarom afzonderlijke interchangeprogramma's voor intra-EER en interregionale transacties.
Een Amerikaanse kaart is dus niet hetzelfde als een Nederlandse kaart
Stel dat een Nederlandse webshop twee betalingen ontvangt:
Transactie A
€100
Nederlandse consumer creditcard
Transactie B
€100
Amerikaanse creditcard
Voor de eerste transactie kan de gereguleerde Europese interchange van toepassing zijn.
De tweede transactie is een interregionale betaling en valt niet simpelweg onder hetzelfde Europese consumer interchangepercentage.
Daardoor kan de interchange aanzienlijk verschillen.
Dit is een belangrijke reden waarom merchants met veel internationale klanten andere gemiddelde kaartkosten kunnen hebben dan merchants die vrijwel uitsluitend Nederlandse of Europese consumenten bedienen.
4. Card Present versus Card Not Present
Ook de manier waarop de kaart wordt gebruikt kan relevant zijn voor het toepasselijke interchangeprogramma.
Een betaling op een fysieke betaalterminal is:
Card Present (CP)
Een betaling in een webshop of app is doorgaans:
Card Not Present (CNP)
Visa en Mastercard kennen verschillende interchangeprogramma's en voorwaarden voor verschillende transactietypen. Welke interchange uiteindelijk van toepassing is, wordt bepaald door de combinatie van kaart-, regio- en transactiegegevens.
Daarom kun je niet uitsluitend op basis van het Visa- of Mastercard-logo bepalen hoeveel interchange een transactie kost.
Interchange en 3D Secure
Bij e-commerce wordt vaak gebruikgemaakt van 3D Secure (3DS) om de kaarthouder te authenticeren.
Het is belangrijk om hierbij onderscheid te maken tussen verschillende soorten kosten.
3DS kan invloed hebben op bijvoorbeeld:
- authenticatie;
- frauderisico;
- liability;
- authorization performance;
- toepasselijke kaartprogramma's en kwalificatie van de transactie.
Maar een 3DS fee of andere authentication-gerelateerde scheme fee is niet hetzelfde als interchange.
Dat soort kosten valt doorgaans onder de Scheme Fees en wordt bij een IC++ model afzonderlijk zichtbaar.
Interchange en Scheme Fees zijn dus niet hetzelfde
Dit onderscheid is belangrijk:
Interchange
Gaat in principe van:
Acquirer → Issuer
en is gekoppeld aan de kaart en de kenmerken van de transactie.
Scheme Fees
Worden door het kaartnetwerk in rekening gebracht voor het gebruik van het netwerk en aanvullende diensten.
Denk bijvoorbeeld aan kosten rondom:
Authorization
Authentication / 3DS
Clearing
Settlement
Cross-border verwerking
Tokenization
Account verification
Een transactie kan dus bijvoorbeeld hebben:
0,30% Interchange
+ verschillende Scheme Fees
+ PAY. acquiring/processing fee
Samen vormen deze componenten de kosten binnen een Interchange++ prijsmodel.
Voorbeeld: drie betalingen van €100
Stel dat een Nederlandse merchant drie kaartbetalingen ontvangt.
Betaling 1
€100
Nederlandse Consumer Debit Card
De interchange kan onder het gereguleerde EER-tarief vallen:
maximaal €0,20 interchange
Betaling 2
€100
Nederlandse Consumer Credit Card
De gereguleerde interchange kan maximaal zijn:
€0,30 interchange
Betaling 3
€100
Commercial of buiten de EER uitgegeven kaart
Hier kan een ander interchangeprogramma gelden.
De interchange kan daardoor aanzienlijk hoger liggen dan €0,20 of €0,30.
Het bedrag en de betaalmethode lijken voor de klant misschien vrijwel hetzelfde, maar de onderliggende kostenstructuur kan voor de merchant behoorlijk verschillen.
Waarom zie ik verschillende interchangekosten in mijn transacties?
Wanneer je gebruikmaakt van een Interchange++ prijsmodel, worden de daadwerkelijke kostencomponenten zoveel mogelijk afzonderlijk doorberekend.
Daardoor kan de interchange per transactie verschillen.
Dat is geen willekeurige toeslag van PAY.
De hoogte wordt bepaald door het toepasselijke interchangeprogramma op basis van kenmerken zoals:
kaartproduct + consumer/commercial + debit/credit + issuer-regio + merchant-regio + transactietype
Daarom is het bij het analyseren van kaartkosten belangrijk om niet alleen naar het gemiddelde percentage te kijken.
Een merchant met voornamelijk Nederlandse consumer debit cards heeft bijvoorbeeld een heel ander kostenprofiel dan een merchant met veel:
internationale kaarten, creditcards en commercial cards.
Interchange is slechts één onderdeel van de kaartkosten
Een veelgemaakte fout is om interchange gelijk te stellen aan de totale kosten van Visa of Mastercard.
Dat klopt niet.
Bij een IC++ prijsmodel kun je de kosten grofweg zien als:
Interchange
↓
vergoeding richting de issuer
Scheme Fees
↓
kosten voor het kaartnetwerk en de gebruikte netwerkdiensten
Acquiring & Processing
↓
kosten voor verwerking en dienstverlening door PAY.
Samen:
Interchange + Scheme Fees + PAY. = totale kosten van de kaarttransactie
Juist doordat deze componenten afzonderlijk zichtbaar zijn, geeft een Interchange++ model veel inzicht in waarom de ene kaartbetaling duurder is dan de andere.
Meer lezen
Wil je weten hoe alle onderdelen samen de uiteindelijke prijs bepalen?
Lees dan Interchange Plus: hoe worden kaartbetalingen berekend?
Wil je juist weten waarom naast interchange nog verschillende kosten van Visa en Mastercard ontstaan?
Lees dan Scheme Fees explained: hoe ontstaan de kosten van Visa en Mastercard?